Uit hoofdstuk 2
De wortel van alle problemen

De wortel van alle problemen is het denken zelf. Allereerst moet je begrijpen wat dit denken is, waaruit het bestaat; of het een wezenlijk bestaan leidt of slechts een proces is; of het substantie heeft of meer lijkt op een droom. En als je de aard van het denken niet kent, kun je geen enkel probleem in je leven oplossen.

Je kunt er je uiterste best voor doen, maar als je probeert op zichzelf staande, losse problemen op te lossen, is dat gedoemd te mislukken – dat is een ding dat zeker is – want in werkelijkheid bestaan er geen losse problemen: het denken is het probleem. Wanneer je een of ander probleem oplost helpt dat niets, want de wortel blijft intact.

Als je de takken van een boom afzaagt, de bladeren snoeit maar de wortels laat zitten, komen er nieuwe bladeren, groeien er nieuwe takken aan – zelfs nog meer dan eerst; door snoeien wordt een boom voller. Als je hem niet met wortel en al uit de grond weet te halen, is je gevecht zinloos, dwaasheid. Je maakt jezelf kapot, niet de boom.

Met vechten verspil je je energie, je tijd, je leven, en de boom wordt steeds sterker, nog veel dikker en voller. En je staat versteld over wat er gebeurt: je werkt er zo hard aan, je probeert het ene probleem na het andere op te lossen en de problemen worden steeds groter en talrijker. Ook al heb je één probleem opgelost, er komen plotseling tien problemen voor in de plaats.

Probeer geen losse, op zichzelf staande problemen op te lossen – ze bestaan niet; het denken zelf is het probleem. Maar het denken zit verborgen onder de grond; daarom noem ik hem de wortel, je ziet hem niet. Wanneer je op een probleem stuit is het bovengronds, je kunt het zien – daardoor laat je je misleiden.

Bedenk altijd dat het zichtbare nooit de wortel is; de wortel blijft altijd onzichtbaar, de wortel zit altijd verborgen. Vecht nooit met het zichtbare, dan vecht je met schaduwen. Je kunt jezelf volkomen uitputten, maar er kan geen transformatie in je leven plaatsvinden, dezelfde problemen steken keer op keer de kop op. Kijk naar je eigen leven en je begrijpt wat ik bedoel. Ik geef geen theoretische beschouwing over het denken, ik heb het over de feitelijkheid ervan. En dit is een feit: het denken moet worden opgelost.

Je mind is een kletskous. Je zendt nodeloos dingen uit. Je maakt de mensen in je omgeving kapot, je maakt jezelf kapot.
Je bent een gevaar – en je zendt onophoudelijk uit. Door jou gebeurt er van alles. En het is een uitgebreid netwerk. De hele wereld wordt met de dag ongelukkiger omdat er steeds meer mensen op aarde zijn die met z’n allen steeds meer gedachten uitzenden.

Hoe verder je teruggaat, des te vreedzamer tref je de aarde aan – steeds minder zenders. Ten tijde van Boeddha of Lao Tse was de wereld uiterst vreedzaam, natuurlijk; het was een hemel op aarde. Hoe kwam dat? In de eerste plaats was de bevolking heel gering. Men dacht ook niet zoveel, men ging veel meer op zijn gevoel af dan op zijn denken. En de mensen baden. Het eerste werk ‘s morgens was bidden. ‘s Avonds was dat het laatste – het gebed. En ook over de hele dag verspreid, als ze even tijd hadden, waren ze innerlijk in gebed.
Wat is bidden? Bidden is iedereen je zegen sturen. Bidden is iedereen je mededogen sturen. Bidden vormt een tegengif tegen negatieve gedachten – het is iets positiefs.

Dit is het derde inzicht over gedachten, dat het dingen zijn, krachten, en dat je ze heel zorgvuldig moet hanteren.

Probeer nu Tilopa’s soetra te begrijpen:
Als men starend in de ruimte niets ziet;
als men dan met het denken het denken gadeslaat,
doet men onderscheid teniet
en bereikt men boeddhaschap.

Als men starend in de ruimte niets ziet... Dit is een methode, een tantramethode: in de ruimte staren, in de lucht staren zonder te zien; je kijkt met lege ogen. Kijken en toch niets zoeken: gewoon een lege blik.
Soms zie je een lege blik in de ogen van een krankzinnige – en krankzinnigen en wijzen komen in bepaalde opzichten overeen. Een krankzinnige kijkt naar je gezicht, maar je kunt zien dat hij niet naar je kijkt. Hij kijkt gewoon door je heen alsof je van glas bent, doorzichtig; je staat alleen maar in de weg, hij kijkt helemaal niet naar jou. En voor hem ben je doorzichtig: hij kijkt voorbij jou, door je heen. Hij kijkt zonder naar je te kijken; er is geen ‘naar’, hij kijkt alleen maar.

Kijk naar de lucht zonder iets te zoeken, want als je iets zoekt komt er gegarandeerd een wolk; ‘iets’ betekent een wolk, ‘niets’ betekent de onmetelijke uitgestrektheid van de blauwe lucht. Ga niet op zoek naar een voorwerp. Als je uitkijkt naar een voorwerp, creëert de blik zelf het voorwerp: er komt een wolk, en dan kijk je naar een wolk. Kijk niet naar de wolken. Zelfs als er wolken zijn, moet je niet naar ze kijken – kijk alleen maar, laat ze drijven, ze zijn er. Plotseling komt er een moment dat je op deze blik van niet-kijken afgestemd raakt – de wolken verdwijnen voor je, alleen de onmetelijke hemel blijft bestaan. Het is moeilijk, want de ogen zijn altijd op één punt gericht en erop ingesteld om naar dingen te kijken.

Kijk naar een baby op de eerste dag van zijn leven. Hij heeft de ogen van een wijze: zijn ogen zijn ontspannen, ze zweven. Hij kan zo scheel kijken dat zijn ogen elkaar in het midden raken; hij kan ze allebei naar de uiterste hoeken laten zweven – ze zijn nog niet gericht. Zijn gestel is onvast, zijn zenuwstelsel is nog niet gestructureerd, alles is zwevende. Zo’n baby kijkt zonder ergens naar te kijken; het is een krankzinnige blik. Let op een baby: die zelfde blik heb jij nodig, want je moet toe naar een tweede jeugd.


In de ruimte krijgen vormen en kleuren gestalte,
maar door zwart noch wit wordt de ruimte getint.
Uit de zelf-mind komen alle dingen voort,
het denken wordt niet bevlekt door deugd en ondeugd.

Toen Boeddha het allerhoogste bereikte, de ultieme verlichting, vroeg men hem: ‘Wat hebt u bereikt?’ En hij lachte en zei: ‘Niets – want wat ik bereikt heb zat al in mij. Het is niets nieuws dat ik heb bereikt. Het was er al sinds alle eeuwigheid, het is mijn natuur. Maar ik was niet opmerkzaam, ik was het me niet bewust. De schat is er altijd geweest, maar ik was hem vergeten.’

Je bent het vergeten, dat is alles – dat is je onwetendheid. Wat je natuur betreft bestaat er geen onderscheid tussen een boeddha en jou. Er is maar één verschil, en dat is dat je je niet herinnert wie je bent – en hij heeft het zich herinnerd. Jij bent hetzelfde, maar hij heeft het zich herinnerd en jij herinnert het je niet. Hij is wakker, jij bent in diepe slaap, maar je natuur is hetzelfde.

Probeer op die manier te leven – Tilopa praat over technieken – leef in de wereld alsof je de hemel bent, maak dat tot je manier van zijn. Als iemand kwaad op je is, je beledigt, sla het gade. Als je zelf kwaad wordt, sla het gade; wees de toeschouwer op de heuvel, blijf kijken, kijken, kijken. En door alleen maar te kijken, zonder naar iets te kijken, zonder door iets geobsedeerd te raken, wanneer je waarneming zuiver wordt, dan ben je plotseling, in een oogwenk – eigenlijk speelt tijd geen rol – opeens ben je klaarwakker; dan ben je een boeddha, dan ben je de verlichte, de ontwaakte.

Wat wint een boeddha daarbij? Hij wint niets. Integendeel, hij raakt van alles kwijt: de misère, de pijn, de angst, de ambitie, de jaloezie, de haat, de bezitsdrang, de gewelddadigheid – dat raakt hij allemaal kwijt. En bereiken doet hij niets. Hij bereikt wat er al was, hij herinnert het zich.

Uit Osho, Tantra het allerhoogste inzicht

OSHO PUBLIKATIES
Churchillstraat 11, 7091 XL Dinxperlo
tel. +31-(0)315 – 654 737
e-mail: info@osho.nl

© Copyright teksten, foto’s en illustraties van Osho: Osho International Foundation
© Copyright Nederlandse teksten van Osho: Osho Publikaties
Voor informatie over kopiëren/publiceren van teksten van Osho, zie: 
www.osho.com/copyrights