# 4
DE WETENSCHAP VAN MEDITATIE

Experiment
De natuurlijke evolutie is gestopt bij de mens. Dit is een feit. Zelfs wetenschappers worden zich er meer en meer van bewust: duizenden jaren lang is er niets gebeurd met de mens – hij is dezelfde gebleven, alsof het werk van de natuur voltooid is. Nu moet de mens de loop van verdere ontwikkeling in eigen hand nemen. Dat is wat religie is.

Religie betekent dat de mens op eigen benen gaat staan, verantwoordelijk wordt voor zijn eigen zijn, gaat kijken en zoeken en onderzoek doen in: ‘Wie ben ik?’ En dit moet niet alleen nieuwsgierigheid zijn. Filosofie komt voort uit nieuwsgierigheid. Religie is een heel oprechte, authentieke zoektocht; het is onderzoek. En er is een groot verschil tussen nieuwsgierigheid en onderzoek. Nieuwsgierigheid is kinderlijk, enkel wat gekriebel in het hoofd. Je wilt graag wat krabben en dan voel je je tevreden; filosofie is dat krabben. Religie is een zaak van leven en dood. In filosofie raak je nooit betrokken, je blijft afstandelijk. Je speelt met het speelgoed, maar het is geen kwestie van leven en dood. Je verzamelt kennis, maar je brengt het nooit in praktijk.

Ik heb het volgende gehoord: Eens leefde er een verheven Confuciaanse geleerde. Hij was een heer van bijna tachtig, en er werd gezegd dat hij qua kennis en inzicht geen gelijke had.
Toen ontstond het gerucht dat er ver weg een nieuwe doctrine was ontstaan die zelfs verder reikte dan zijn kennis. De oude heer vond dit ondragelijk en besloot dat de kwestie op de een of andere manier geregeld moest worden.

Ondanks zijn leeftijd ondernam hij de lange reis. Na maanden van ontbering onderweg, bereikte hij zijn bestemming, stelde zichzelf voor en vertelde het doel van zijn bezoek.
Zijn gastheer, die een meester was van de nieuwe zen school, citeerde enkel: ‘Doe zo veel mogelijk het goede om het kwade te vermijden; dit is de leer van alle boeddha’s.’

Bij het horen hiervan stoof de Confuciaanse heer op: ‘Ik ben hier gekomen ondanks de gevaren en risico’s van een dergelijke lange en woeste reis en ondanks mijn gevorderde leeftijd. En u citeert enkel wat rijmelarij dat elk kind van drie jaar uit zijn hoofd kent. Bent u mij aan het bespotten?
Maar de zenmeester antwoordde: ‘Ik ben u niet aan het bespotten, meneer. Houd er alstublieft rekening mee dat zelfs iemand van tachtig er niet in slaagt ernaar te leven, hoewel het waar is dat elk kind van drie jaar dit vers kent!’

Religie is niet een kwestie van weten, maar van ernaar leven. Religie is het leven, en tenzij je het leeft, kom je niet te weten wat het is. Om religie te leven, moet je alle gefilosofeer loslaten en moet je gaan experimenteren. Je moet een laboratorium worden. Het laboratorium van de wetenschapper bevindt zich buiten hem; het laboratorium van de religieuze mens zit in zijn eigen wezen – in zijn eigen lichaam, zijn eigen ziel, zijn eigen mind. De wetenschapper moet zich concentreren op het object waarmee hij aan het experimenteren is, zijn werk moet met open ogen worden verricht. Het religieuze werk moet met gesloten ogen worden verricht; je moet je op jezelf concentreren.

En de complexiteit is groot, want in de wereld van de religie zijn degene die experimenteert en met wie geëxperimenteerd wordt dezelfde. Vandaar de complexiteit, vandaar het vreemde, vandaar het ondoorgrondelijke, vandaar het onlogische. In de wereld van religie zijn de kenner en het gekende dezelfde. In de wereld van de wetenschap zijn de kenner en het gekende gescheiden; de dingen zijn scherp omlijnd, afgebakend.

Maar in religie gaat alles in elkaar over, lost zich op in al het andere – zelfs de kenner kan niet gescheiden blijven. Religie geeft je geen kennis die gescheiden is van de kenner, die geeft je ervaring, niet gescheiden van de kenner maar als de pure essentie van de kenner.
Om een religieuze zoeker te zijn, moet je alle gefilosofeer loslaten.

Je moet alle voorafgaande kennis loslaten want al die voorafgaande kennis is een hindernis, die blokkeert je onderzoek. Het onderzoek wordt oneerlijk, raakt vanaf het allereerste begin vervuild. Hoe kun je onderzoeken als je al conclusies hebt getrokken? Een christen te zijn en ook religieus is onmogelijk, een hindoe te zijn en religieus is onmogelijk. Hoe kun je religieus zijn als je hindoe bent? Hindoe te zijn betekent dat je al tot een conclusie bent gekomen, dat je al beslist hebt wat waarheid is. Wat is dan de zin van onderzoek? Wat ga je onderzoeken? Alles wat je dan doet is ondersteuning en argumenten vinden voor dat wat je al hebt geconcludeerd. En je conclusie kan verkeerd zijn – wie zal het weten – want je conclusie is niet de jouwe, ze is je aangereikt door de maatschappij. De maatschappij is er erg in geïnteresseerd je conclusies te verstrekken, ze is er niet in geïnteresseerd je bewustzijn te geven zodat je op eigen kracht gevolgtrekkingen kunt maken.

Voordat je bewust wordt, voordat enig onderzoek begint, stopt de maatschappij je vol met allerlei conclusies, met de bedoeling onderzoek tegen te houden, omdat de onderzoeker een gevaar is voor de maatschappij. De niet-onderzoeker is gemakkelijk bereikbaar, de niet-onderzoeker is gehoorzaam.

Hij neemt gewoon orders aan, bevelen, en volgt ze op. Hij is een conformist, hij is conventioneel. Zodra je iemands mind met een bepaald geloof hebt volgestopt, heb je hem verdoofd. Geloof is een verdovend middel. Hij begint te geloven en hij blijft geloven. Langzaamaan gaat hij geloven dat zijn geloof zijn ervaring is.

Geloof is een vorm van hypnose. Je blijft het kind ingeven: ‘Je bent een hindoe, je bent een hindoe,’ je neemt hem mee naar de tempel, je wijst hem de weg in religieuze – zogenaamd religieuze – rituelen, ceremonies, en langzaam maar zeker wordt hij geconditioneerd met het idee dat hij een hindoe is, dat alles wat hindoe is juist is, en dat alles wat niet-hindoe is verkeerd is.

En hetzelfde wordt in alle maatschappijvormen gedaan: je bedwelmt het kind. Zijn hele bron van bewustzijn wordt vergiftigd. En als je iets gelooft, gaat het eruit zien alsof het waar is. Als je iets gaat geloven, vind je er allerlei steun voor, allerlei argumenten om het te ondersteunen. Je ego raakt ermee verbonden. Het is niet alleen een kwestie van waarheid, in zijn diepste essentie is het de vraag: ‘Wie heeft gelijk? Ik of jij? Hoe kan ik ongelijk hebben? – Ik moet wel gelijk hebben.’ Dus kies je voor alles wat je ondersteunt. Het leven is zo complex, je kunt in het leven allerlei dingen vinden –wat je ook kiest, wat je ook beslist. Als je een pessimist bent, vind je in het leven allerlei argumenten die pessimisme ondersteunen.

Als je een optimist bent, zijn er ook allerlei argumenten voor je beschikbaar.
De mens die gelooft, is een gesloten mens. Zijn ramen en deuren zijn gesloten, hij leeft in een soort gevangenis. Hij moet wel in iets als een gevangenis leven, als hij de ramen en deuren opent en de zon binnenkomt en de wind en de regen, is het mogelijk dat zijn geloofssystemen misschien verstoord worden. Als de waarheid van alle kanten binnenkomt, is het hem onmogelijk zijn geloofsovertuigingen te beschermen. Hij moet de waarheid aan het oog onttrekken, hij moet in een afgesloten wereld leven, zonder ramen zodat niets hem kan verstoren, zodat hij ongestoord verder kan gaan met geloven. Voor de maatschappij is dit goed, maar voor de gezondheid van het individu heel gevaarlijk.

Osho, Meditatie, de eerste en laatste vrijheid

OSHO PUBLIKATIES
Churchillstraat 11, 7091 XL Dinxperlo
tel. +31-(0)315 – 654 737
e-mail: info@osho.nl

© Copyright teksten, foto’s en illustraties van Osho: Osho International Foundation
© Copyright Nederlandse teksten van Osho: Osho Publikaties
Voor informatie over kopiëren/publiceren van teksten van Osho, zie: 
www.osho.com/copyrights