Stop het wiel!

Mijn moeders vader werd plotseling ziek. Het was zijn tijd nog niet om te sterven. Hij was niet ouder dan vijftig, of zelfs jonger, misschien nog jonger dan ik nu. Mijn grootmoeder was net vijftig, op het hoogtepunt van haar jeugd en schoonheid.
Ik vroeg haar: ‘Hij is dood. U hebt van hem gehouden. Waarom huilt u niet?’
Ze zei: ‘Om jou. Ik wil niet huilen in het bijzijn van een kind’ – zo’n vrouw was zij!’ – en ik wil jou niet troosten. Als ik begin te huilen, ga jij natuurlijk ook huilen; en wie moet wie dan troosten?’

Ik moet die situatie beschrijven – we zaten in een ossenkar, op weg van mijn grootvaders dorp naar dat van mijn vader, want daar was het enige ziekenhuis. Mijn grootvader was ernstig ziek; niet alleen ziek maar ook bewusteloos, bijna in coma. Zij en ik waren verder de enigen in de wagen. Ik begrijp haar medelijden met mij. Ze huilde zelfs bij de dood van haar geliefde man niet, alleen ter wille van mij – want ik was de enige die erbij was; er was verder niemand die mij zou kunnen troosten.
Ik zei: ‘Maakt u zich geen zorgen. Als u uw tranen kunt inhouden kan ik het ook.’ En, geloof het of niet, een kind van zeven hield zijn tranen in.
Zelfs zij was verbaasd. Ze zei: ‘Huil je niet?’
Ik zei: ‘Ik wil u niet troosten.’

Het was een vreemde verzameling mensen in die ossenkar. Bhoora zat op de bok. Hij wist dat zijn meester op sterven lag, maar hij wilde niet de wagen in kijken, zelfs toen niet, want hij was maar een knecht en het was niet gepast je in persoonlijke zaken te mengen. Later zei hij tegen mij: ‘Sterven is iets persoonlijks; hoe had ik ernaar kunnen kijken? Op de bok ik heb alles gehoord. Ik wilde huilen, ik hield zoveel van hem. Ik voel me als een weeskind – maar ik kon niet achterom kijken in de wagen, dat zou hij me nooit vergeven.’
Een vreemd gezelschap, en Nana’s hoofd lag in mijn schoot. Ik was een kind van zeven jaar samen met de dood, niet slechts een paar seconden lang, maar vierentwintig uur aan één stuk. Er was geen verharde weg en het was moeilijk mijn vaders dorp te bereiken. We vorderden maar heel langzaam. We waren vierentwintig uur lang samen met het lichaam... Hij stierf langzaam, heel geleidelijk. Ik kon voelen hoe het gebeurde, dat doodgaan, en ik kon de diepe stilte ervan zien.

Ik had geluk dat mijn Nani aanwezig was. Misschien had ik zonder haar de schoonheid van de dood gemist. Liefde en dood lijken zoveel op elkaar, zijn misschien wel hetzelfde. Zij hield van me. Ze stortte haar liefde over mij uit, en de dood was bij ons, trad langzaam maar zeker in.
Een ossenkar – ik kan het geluid ervan nog horen – het ratelen van de wielen op de stenen, Bhoora die steeds naar de ossen schreeuwde, het geluid van de zweep waarmee hij ze raakte... ik kan het allemaal nog horen. Het zit zo diep in mijn beleving gegrift, dat ik denk dat zelfs mijn dood het niet zal uitwissen. Zelfs als ik sterf zal ik wellicht het geluid van die ossenkar nog horen.
Ik had horen vertellen hoe andere mensen stierven, maar meer niet. Ik had het niet gezien, en ook al had ik het gezien, het zou niets voor me betekend hebben. Pas als je van iemand houdt en die sterft, kun je de dood werkelijk ervaren. Laat me hier de nadruk op leggen: de dood kan alleen beleefd worden in de dood van iemand van wie je houdt.

Als liefde en dood je omringen, vindt er een transformatie, een geweldig grote verandering plaats, alsof er een nieuw wezen wordt geboren. Je bent nooit meer dezelfde. Maar mensen hebben niet lief, en omdat ze niet liefhebben, kunnen ze de dood niet ervaren zoals ik hem ervaren heb. Als je geen liefde kent, geeft de dood je niet de sleutels tot het bestaan. Als je liefde hebt, geeft de dood je de sleutel tot al wat is.
Mijn eerste ervaring met de dood was geen simpele ontmoeting. Ze had verschillende moeilijke aspecten. De man die ik had liefgehad lag te sterven. Ik had hem gezien als mijn vader. Hij had me in absolute vrijheid opgevoed, zonder remmingen, zonder druk en zonder geboden. Hij zei nooit tegen mij: ‘Doe dit niet’ of ‘doe dat niet’. Pas nu besef ik wat een geweldig mens hij was.
Ik hield van de man omdat hij mijn vrijheid respecteerde. Ik kan alleen liefhebben als mijn vrijheid wordt gerespecteerd. Als ik moet marchanderen en liefde verwerven door die met mijn vrijheid te betalen, is die liefde de mijne niet. Die is voor mindere stervelingen, niet voor hen die weten.

‘Heer, dit leven dat U mij gegeven hebt, geef ik U in dank terug.’ Dat waren mijn grootvaders laatste woorden, hoewel hij nooit in God had geloofd en ook geen hindoe was.
Voor hij stierf zei hij, onder andere, dit ene steeds maar weer: ‘Stop het wiel...’ Mijn grootvader was stervende en vroeg ons aldoor het wiel tegen te houden – wat een onzin! Hoe kon ik het wiel tegenhouden? We moesten naar het ziekenhuis, en zonder het wiel zouden we verloren zijn in het bos.
Mijn grootvader zei: ‘Stop het wiel, Radja, hoor je me niet? Als ik je grootmoeder kan horen lachen, moet jij mij kunnen horen.’
Ik zei tegen hem: ‘Trekt u zich niets aan van haar gelach. Ik ken haar. Ze lacht niet om wat u zegt, het is iets tussen ons, iets grappigs dat ik haar heb verteld.’
Hij zei: ‘Goed. Als het een grapje is dat je haar verteld hebt, is het best dat ze lacht. Maar hoe zit het met de chakra, het wiel?’
Nu weet ik het, maar in die tijd was ik absoluut niet bekend met dit spraakgebruik. Het wiel vertegenwoordigt de hele Indiase obsessie met het wiel van leven en dood. Duizenden jaren lang hebben miljoenen mensen slechts één ding gedaan: proberen het wiel te stoppen. Hij doelde niet op het wiel van de ossenkar – dat was heel gemakkelijk stil te zetten. In feite was het moeilijk het draaiende te houden.

Op dat moment begreep ik niet waarom mijn Nana zo aandrong. Misschien maakte die ossenkar zoveel lawaai omdat er geen weg was. Alles ratelde en hij lag in doodsstrijd, dus natuurlijk wilde hij het wiel laten stoppen. Maar nu weet ik waarom mijn grootmoeder lachte. Hij sprak over de Indiase obsessie wat betreft leven en dood, symbolisch het wiel van leven en dood genoemd – kortweg, het wiel – dat maar draait en draait...

Daarom zei mijn grootvader: ‘Stop het wiel.’ Als ik het wiel had kunnen tegenhouden, had ik het gedaan, niet alleen voor hem, maar voor alle andere mensen op aarde. Ik zou niet alleen het draaien gestopt hebben, ik zou het voor altijd tenietgedaan hebben, zodat niemand het ooit weer zou kunnen laten draaien. Maar ik heb het niet in de hand.
Maar waarom deze obsessie? In dat moment van zijn dood werd ik me van veel dingen bewust... dingen die mijn verdere leven hebben bepaald.
Ik vroeg hem in zijn oor: ‘Nana, hebt u mij iets te zeggen voor u vertrekt? Een paar laatste woorden? Of wilt u mij iets geven, waardoor ik me u altijd zal blijven herinneren?’

Hij deed zijn ring af en legde die in mijn hand. Die ring was altijd een mysterie geweest. Zijn leven lang had hij nooit iemand laten zien wat erin zat, maar hij had de gewoonte er steeds in te kijken. De ring had aan weerszijden een glazen ruitje waar je doorheen kon kijken. Aan de bovenkant was een diamant, en aan weerszijden een glazen ruitje. Hij had nooit iemand toegestaan te zien waar hij naar keek door dat ruitje. In de ring zat een beeldje van Mahavir, de jaïna tirthankara;een heel mooi beeldje en heel klein. Het moet een heel kleine afbeelding van Mahavir zijn geweest, en die twee ruitjes waren vergrootglaasjes. Ze vergrootten de afbeelding, zodat ze heel groot leek.

Met tranen in zijn ogen zei hij: ‘Ik heb je anders niets te geven, want al wat ik heb zal jou ook ontnomen worden, net zoals het mij wordt ontnomen. Ik kan je alleen mijn liefde geven voor deze man die zichzelf heeft gekend.’
Hoewel ik zijn ring niet heb bewaard, heb ik wel zijn wens in vervulling doen gaan. Ik heb Het Ene gekend, en ik heb het in mijzelf gekend. Wat doet het ertoe in een ring? Maar deze arme oude man hield van zijn meester, Mahavir, en gaf mij zijn liefde voor hem. Ik respecteer zijn liefde voor zijn meester, en voor mij. De laatste woorden die hij sprak, waren: ‘Wees niet bezorgd, want ik ga niet dood.’

Wij wachtten of hij nog iets zou zeggen, maar dat was alles. Zijn ogen sloten zich, en hij was niet meer.
Mijn Nani hield mijn hand vast. Ik was totaal verbijsterd, ik wist niet wat er gebeurde; ik ging helemaal op in het moment. Mijn grootvaders hoofd lag in mijn schoot. Ik hield mijn handen op zijn borst, en langzaam, langzaam verdween de ademhaling. Toen ik voelde dat hij niet langer ademhaalde, zei ik tegen mijn grootmoeder: ‘Ik vind het vreselijk, Nani, maar ik heb de indruk dat hij niet meer ademt.’

Ze zei: ‘Het is heel goed zo. Je hoeft niet bezorgd te zijn. Hij had genoeg geleefd, we hoeven niet nog meer te vragen.’ Ze zei me ook: ‘Onthoud dit, want dit zijn de momenten die je niet mag vergeten; vraag nooit om meer. Wat is, is genoeg.’
Ik herinner me nog steeds die stilte. De ossenkar ging door een rivierbedding. Ik herinner me precies elk detail. Ik zei niets, want ik wilde mijn grootmoeder niet storen. Zij zei niets. Een paar seconden gingen voorbij, toen werd ik een beetje ongerust en zei: ‘Zeg iets; wees niet zo stil, het is ondraaglijk.’

Het klinkt ongelooflijk, maar ze begon een lied te zingen! Zo leerde ik dat de dood gevierd moet worden. Ze zong hetzelfde lied dat ze gezongen had in de tijd dat ze verliefd werd op mijn grootvader.
Scheiden heeft zijn eigen schoonheid, net als ontmoeten. Een scheiding heeft haar eigen poëzie; je moet alleen haar taal leren en haar diep beleven. Dan komt uit die droefheid een nieuw soort vreugde voort – dat lijkt bijna onmogelijk, maar het gebeurt. Ik heb die vreugde gekend.

uit Osho, De laatste illusie,- een andere kijk op sterven

OSHO PUBLIKATIES
Churchillstraat 11, 7091 XL Dinxperlo
tel. +31-(0)315 – 654 737
e-mail: info@osho.nl

© Copyright teksten, foto’s en illustraties van Osho: Osho International Foundation
© Copyright Nederlandse teksten van Osho: Osho Publikaties
Voor informatie over kopiëren/publiceren van teksten van Osho, zie: 
www.osho.com/copyrights