Indrukken uit een gouden kindertijd

Ik ben nooit spiritueel geweest in de zin waarin je dat woord verstaat. Ik heb nooit tempels of kerken bezocht, of heilige boeken gelezen, of bepaalde praktijken gevolgd om de waarheid te zoeken of God aanbeden of tot God gebeden. Dat was helemaal mijn weg niet. Dus je kunt zeker zeggen dat ik niets spiritueels heb gedaan. Maar voor mij heeft spiritualiteit een heel andere betekenis. Er is een oprechte individualiteit voor nodig. Het staat geen enkele afhankelijkheid toe. Het schept vrijheid voor zichzelf, tot elke prijs. Het is nooit in de massa, maar alleen, want de massa heeft nooit een enkele waarheid gevonden. Waarheid is alleen gevonden in het de alleenheid van de mens.
Mijn spiritualiteit heeft dus een andere betekenis dan jouw idee van spiritualiteit. De gebeurtenissen uit mijn kindertijd verwijzen, als je ze kunt begrijpen, op de een of andere manier naar al deze hoedanigheden. Niemand kan ze spiritueel noemen. Ik noem ze spiritueel, want ze hebben me alles gegeven waar een mens naar kan streven.

Terwijl je naar de verhalen uit mijn kindertijd luistert, zou je naar een bepaalde hoedanigheid moeten zoeken – niet het verhaal alleen, maar een wezenlijke hoedanigheid die als een dunne draad door al mijn herinneringen loopt. En die dunne draad is spiritueel.
Spiritualiteit betekent voor mij gewoon jezelf vinden. En nooit heb ik dat iemand anders voor me laten doen – omdat niemand dat voor je kunt doen; je moet het zelf doen.


Het was dus gewoon toeval dat ik zeven jaar ongestoord bleef – niemand die me sarde, niemand die me voorbereidde op de zakenwereld, de politiek of de diplomatie. Mijn grootouders wilden me liever zo natuurlijk mogelijk laten – vooral mijn grootmoeder. Zij is een van de oorzaken – zulke kleinigheden beïnvloeden heel je levenspatroon – zij is een van de oorzaken van mijn respect voor het hele vrouwelijk geslacht. Ze was een eenvoudige vrouw,ongeschoold maar uiterst gevoelig. Zij maakte mijn grootvader en de bediende duidelijk: ‘Wij hebben alle drie een bepaald leven geleid dat ons nergens heeft gebracht. We zijn nog net zo leeg als altijd en nu nadert de dood.’ En ze drong eropaan: ‘Laten we dit kind niet beïnvloeden. Wat voor invloed kunnen we hebben? We kunnen hem alleen maar maken zoals we zelf zijn, en wij zijn niks. Geef hem een kans zichzelf te zijn.’

Maar vaak zei mijn grootvader tegen haar – ‘s nachts hoorde ik ze redetwisten, terwijl ze dachten dat ik sliep – ‘jij zegt me dat ik dit moet doen en ik zal het doen, maar hij is de zoon van een ander en vroeg of laat moet hij terug naar zijn ouders. En wat zullen die dan zeggen? “U hebt hem geen manieren geleerd, geen enkel fatsoen, hij is volkomen wild.”’
Dan zei zij: ‘Maak je daar niet druk om. Iedereen in de hele wereld is beschaafd, heeft goede manieren, gedraagt zich netjes en wat schieten ze er mee op? Jij bent erg beschaafd – en wat heb je eraan gehad? Hoogstens zullen zijn ouders boos op ons zijn. En wat dan nog? Laten ze boos zijn.


Ze kunnen ons geen kwaad doen en dan is het kind zo sterk dat ze zijn levensloop niet meer kunnen veranderen.’
Ik ben die oude vrouw geweldig dankbaar. Mijn grootvader was steeds weer bezorgd dat hij vroeg of laat ter verantwoording zou worden geroepen. ‘Dan zeggen ze: “Wij hebben ons kind bij u gelaten en u hebt hem niets geleerd.”

Mijn grootmoeder was zelfs tegen een huisonderwijzer. In het dorp woonde een man die me in elk geval de eerste dingen van taal en rekenen en een beetje aardrijkskunde had kunnen bijbrengen. Hij had maar vier jaar basisschool– de eerste vier, wat in India een lagere schoolopleiding heet – maar hij was de meest geschoolde man in het dorp. Mijn grootvader deed zijn best: ‘Die kan toch hier komen en hem lesgeven. Dan kent hij tenminste het alfabet en wat rekenen, en als hij dan teruggaat naar zijn ouders, zullen die niet zeggen dat we zomaar zeven jaren van zijn leven volledig hebben verknoeid.’

Maar mijn grootmoeder zei: ‘Laten zij na zeven jaar maar doen wat ze willen. Hij moet zeven jaar gewoon zijn natuurlijke zelf zijn en dat gaan wij niet in de weg staan.’ En haar argument was altijd: ‘Jij kan lezen en schrijven en wat dan nog? Jij kan rekenen en wat dan nog? Jij hebt een beetje geld verdiend; wil je dat hij ook een beetje geld verdient en net zo leeft als jij?’

Dat was genoeg om de oude man tot zwijgen te brengen. Wat kon hij doen? Hij zat in moeilijkheden omdat hij geen argumenten had – en hij wist dat hij ter verantwoording zou worden geroepen en niet zij, omdat mijn vader hem zou vragen: ‘Wat heb je gedaan?’ En zo zou het in feite gegaan zijn, maar gelukkig stierf hij voordat mijn vader dat kon vragen.
Later zei mijn vader altijd: ‘Die oude man is er verantwoordelijk voor, die heeft dat kind bedorven.’ Maar toen was ik sterk genoeg, en maakte hem duidelijk: ‘Zeg waar ik bij ben nooit iets ten nadele van mijn grootvader. Hij heeft me ervoor behoed door jou te worden bedorven – en daar ben jij nu kwaad om. Maar je hebt nog meer kinderen – bederf die maar. En op het eind zul je wel zien wie er echt bedorven is.’

Hij had nog meer kinderen en er bleven er steeds meer bijkomen. Ik plaagde hem er vaak mee: ‘Laat nog maar een kind komen, maak het dozijn maar vol. Elf kinderen? De mensen stellen vragen: ‘Hoeveel kinderen? Elf is geen mooi getal; een dozijn staat veel indrukwekkender!’ En in later jaren zei ik vaak tegen hem: ‘Je gaat maar door al je kinderen te bederven; ik ben ongetemd en ik blijf ongetemd.’ Op de een of andere manier bleef ik uit handen van de beschaving.

uit: Osho Autobiografie
 

OSHO PUBLIKATIES
Churchillstraat 11, 7091 XL Dinxperlo
tel. +31-(0)315 – 654 737
e-mail: info@osho.nl

© Copyright teksten, foto’s en illustraties van Osho: Osho International Foundation
© Copyright Nederlandse teksten van Osho: Osho Publikaties
Voor informatie over kopiëren/publiceren van teksten van Osho, zie: 
www.osho.com/copyrights