Najaarsoverstromingen

 

De najaarsoverstromingen waren gekomen.

Duizenden woeste stromen

stortten zich brullend in de Gele Rivier.

Deze zwol op en trad zo ver buiten haar oevers dat je,

eroverheen kijkend, een os aan de overkant

niet van een paard kon onderscheiden.

 

Toen lachte de riviergod, ingenomen met de gedachte

dat alle schoonheid ter wereld nu onder zijn beheer viel.

 

En stroomafwaarts ging hij, totdat hij bij de oceaan kwam.

Daar keek hij uit over de golven,

tot aan de lege horizon in het oosten

en zijn gezicht betrok.

 

Starend naar de verre horizon kwam hij bij zinnen

en sprak ruisend tot de god van de zee:

‘Welnu, het spreekwoord is juist.

Wie zich honderd ideeën in het hoofd haalt

denkt dat hij meer weet dan een ander.

Zo iemand ben ik.

Nu pas begrijp ik wat oneindigheid betekent.’

 

De zeegod antwoordde:

‘Kun je tegen een kikker in een poel

praten over de zee?

Kun je tegen libellen

praten over ijs?

Kun je met een doctor in de filosofie

praten over het leven zelf?’

 

Het leven is ervaring en geen theorie. Het heeft geen uitleg nodig. Het is er in al zijn glorie om geleefd te worden, om je te laten genieten, om je in verrukking te brengen. Het is geen raadsel maar een mysterie. Een raadsel is iets dat je kunt oplossen, een mysterie is iets dat nooit kan worden opgelost. Een mysterie is iets waarmee je één kunt worden. Je kunt erin opgaan, je kunt ermee versmelten – je kunt zelf mysterieus worden. Dat is het verschil tussen filosofie en religie.
 

Filosofen beschouwen het leven als een raadsel dat je moet oplossen, waarvoor je een verklaring moet vinden, theorieën en leerstellingen. Filosofen denken dat er een antwoord bestaat, dat het leven een vraagteken is waar men hard aan moet werken. Als je het leven als een vraagteken beschouwt, spreekt het vanzelf dat je het verstandelijk gaat aanpakken. De veronderstelling dat het leven een vraagstuk is, zet je automatisch aan tot een steeds grotere verstandelijke inspanning, en in je pogingen een antwoord te vinden stel je theorieën op.
 

Religie zegt dat het een fundamentele fout is het leven als een vraagstuk te beschouwen. Het is geen vraagstuk – het bestaat, zonder vraagteken. Het bestaat als een publiek geheim; het is een uitnodiging. Je moet er te gast zijn, je moet erin stappen. Het ontvangt je met open armen, vecht er niet tegen! Het is geen vraagstuk, probeer het niet op te lossen! Het is geen raadsel. Stort je erin, word er één mee, dan leer je het kennen. Die kennis komt vanuit je totaliteit, niet vanuit je verstand. Je verstand is een gedeeltelijke inspanning en om het leven te leren kennen moet je er volop in staan, je mee laten voeren, er zo één mee worden dat je geen verschil meer voelt, niet meer kunt voelen waar jij ophoudt en waar het leven begint. Je omvat het leven totaal, het leven omvat jou totaal. Dat is je redding. Het is geen oplossing, het is een redding.
 

Hindoes hebben dit moksha genoemd: het is geen theorie, geen conclusie, het is een totaal andere manier van leven met het bestaan. Het komt niet vanuit je hoofd; in feite word je ‘hoofdloos’. Je verliest alle verschillen uit het oog, je buitenkant vervaagt, je bent als een druppel in de oceaan. Je grenzen verdwijnen en worden vervangen door kosmische grenzen, die oneindig zijn.

 


Wat je ten eerste moet begrijpen is dat je het leven niet als een vraagstuk moet opvatten. Zodra je het als een vraagstuk opvat, raak je in de problemen; dan zit je al op het verkeerde spoor – het is een doodlopende weg. Ergens, in een of andere theorie, kom je vast te zitten. Iedereen zit ergens in een theorie vast, en dan wordt het heel moeilijk de theorie te laten vallen. Je klampt je eraan vast omdat het vraagstuk je angst aanjaagt – uit een theorie put je ten minste wat troost, dan heb je ten minste het gevoel dat je iets weet. Je weet niets. De mind kan niets weten, de mind kan alleen maar theoretiseren. Hij kan steeds sneller woorden uitspinnen, hij kan met woorden spelen, ze rangschikken, maar het zijn allemaal interpretaties – niet de werkelijkheid, alleen maar jouw interpretatie ervan.
 

Het heeft iets van een landkaart. Zie je de kaart van India? Je kunt die kaart bij je dragen, je kunt blijven denken dat je India in je zak hebt, maar de kaart is nog niet het land. Je kunt een theorie hebben over een roos, over wat een roos is. Je kunt zelfs een foto van de roos nemen, maar die foto is maar een foto, ze heeft niets van het levende fenomeen dat een roos is.
 

Kijk eens naar een kind – het heeft nog geen mind. Het doet zijn ogen open en kijkt gewoon naar de wereld. Breng het een roos. Het kent er de naam niet van, het kan haar niet benoemen, het kan haar niet in een categorie plaatsen, het kan niet zeggen wat het is. Toch heeft het een roos – het kind wordt overweldigd door de kleuren, omringd door de schoonheid van de roos, de geur dringt door tot in zijn hart. Het weet niet wat het is, maar het gaat door een levend moment.
 

Zodra je het kind vertelt: ‘Dit is een roos,’ krijgt het nooit meer dezelfde ervaring, zal het nooit meer het mysterie van de roos kunnen ervaren. Nu zal het elke keer dat het een roos wordt voorgehouden zeggen: ‘Dit is een roos.’ Nu is het belast met een woord. Je hebt het armer gemaakt – het was heel rijk. De roos was er totaal, en het kon haar alleen maar beleven; het kende nog geen manier om haar te omschrijven, om haar te definiëren. Een roos is een roos is een roos. Je kunt niet zeggen wat het is, het een of het ander. Het kind was stil, zijn mind werkte niet, er was geen mind, er was geen barrière. Het hart van de roos versmolt met het hart van het kind, het hart van het kind versmolt met het hart van de roos. Het kind kon niet eens zeggen waar het ophield en waar de roos begon, waar de roos ophield en waar het begon – er zaten geen grenzen tussen. Ze werden één in dat ogenblik van ontzag. Een enkel ogenblik waren ze niet twee – er was een-zijn. Maar jij hebt het verteld: ‘Dit is een roos.’ Nu zal hij die ervaring nooit meer krijgen. Zodra het een roos ziet zal zijn mind meteen zeggen: ‘Dit is een roos.’ Het mysterie is verdwenen, nu heeft het een antwoord, het weet iets meer. Wat absurd! Nu zul jij zeggen dat het kind wat geleerd heeft. Maar het omgekeerde is juist het geval.
 

Voordat je het vertelde wat wat was, wist hij, maar het wist met zijn totaliteit. Het was geen kennis, het was een ervaren. Maar toen vond jij hem onwetend. Nu denk je dat het weet omdat zijn mind over een woord beschikt. Het woord roos is geen roos, het woord god is niet God, het woord liefde is geen liefde. Maar we stapelen die woorden alsmaar op. En dan zijn er knappe koppen die die woorden rangschikken tot interpretaties, theorieën en argumenten. En hoe meer argumenten je aandraagt, hoe theoretischer je wordt, des te verder raak je van de roos verwijderd.|
 

Dan is zelfs een echo niet meer mogelijk: niets dringt tot je door en jij maakt nergens contact mee – je leeft alleen nog in je mind, bezig met het rangschikken van woorden.

 


Ik heb eens een anekdote gehoord:

Drie joden gingen een ochtendwandeling maken. Het waren vrienden, oude vrienden en ze bespraken van alles met elkaar. Toen zagen ze de grote auto van de burgemeester langsrijden. De burgemeester zwaaide naar ze en zei: ‘Hallo!’ Dat schiep problemen.

De eerste zei: ‘Wees maar niet zo blij; hij zei mij gedag – en dat moet hij ook.’

De tweede zei: ‘Hoe bedoel je?’

De eerste zei: ‘Ik heb tienduizend dollar van hem gekregen; dat geld heb ik geleend en hij wacht er al twee jaar op. Hij moest me wel gedag zeggen.’

De ander zei: ‘Je hebt het mis. Dat “hallo” was voor mij bedoeld – en hij moest wel, omdat ik hem tienduizend dollar heb geleend. Hij is me geld schuldig en is altijd bang voor me. Zodra hij me ziet wordt hij bang – hij moet wel.’

De derde moest lachen en de twee anderen keken hem aan en zeiden: ‘Wat bedoel je? Waarom lach je?’

Hij zei: ‘Hij moest mij gedag zeggen, niet jullie – jullie hebben het allebei mis. Hij is mij geen geld schuldig en ik hem ook niet. Waarom zou hij me niet met een zuiver geweten gedag zeggen?’

Zodra je met je mind naar de realiteit kijkt wordt alles een probleem; dan gaat het ego interpreteren en heb je niets dan interpretaties.



Tswang Tse zegt: Je moet leven, niet denken! Iedereen die weet heeft dat altijd gezegd: Je moet leven, niet denken! Laat je denken vallen en word een levend wezen – je hebt je totaliteit nodig. Voor wetenschap kun je je hoofd gebruiken, voor kunst kun je je hart gebruiken, maar voor religie ben jij in je totaliteit nodig. Als alleen het hoofd functioneert komen daar droge theorieën uit voort; als alleen het hart functioneert brengt het fictie, dromen voort. Je totaliteit is nodig. En als je totaal functioneert bereik je de totaliteit, namelijk het universum – je wordt eraan gelijk, en alleen een gelijke kan het leren kennen. Als jij in je kleine kringetje totaal wordt, dan is de totaliteit van de onmetelijke kring, de Brahman, bereid je op te nemen. Dat is punt een.

 

Punt twee,
                       lees je verder in Als de schoen past, Hoofdstuk 7

 

OSHO PUBLIKATIES
Churchillstraat 11, 7091 XL Dinxperlo
tel. +31-(0)315 – 654 737
e-mail: info@osho.nl

© Copyright teksten, foto’s en illustraties van Osho: Osho International Foundation
© Copyright Nederlandse teksten van Osho: Osho Publikaties
Voor informatie over kopiëren/publiceren van teksten van Osho, zie: 
www.osho.com/copyrights